Mevrouw Djurrema



Ik ben A. Djurrema–van der Veen. Sinds februari 2006 woon ik in een aanleunwoning van Bennema State. Van mei 1929 tot mei 1936 heb ik als dienstbode gewerkt en gewoond bij de familie Bontekoe die een dokterspraktijk hadden in het oude en statige landhuis Bennema State te Hardegarijp. Johan de Jong, hoofdredacteur van het BennemaNijs, heeft mij gevraagd of ik iets wilde schrijven over die tijd. Ondanks dat het al 70 jaar is geleden zal ik toch proberen een beeld te schetsen van die periode.

 

Mevrouw Bontekoe had altijd 2 dienstmeisjes en toen er een meisje was vertrokken ben ik daar voor in de plaats gekomen. Het toeval was dat we allebeide eenzelfde voornaam Anna hadden, een probleem is het echter niet geworden, ik was kleiner van stuk dus werd het al gauw kleine en grote Anna en zo zijn we met die namen verder door het leven gegaan.

 

Grote Anna en kleine Anna.

Bennema State was een groot en statig landhuis. Dhr. Bontekoe was huisarts en oefende hier zijn praktijk uit. Zijn praktijk ging van Veenwoudsterwal de Zwette langs naar Kuikhorne, Bergumerheide, de Zomerweg naar Hardegarijp, Tietjerk, Suawoude dan over Zwartewegsend naar Rijperkerk en dan weer naar huis (Bennema State) in Hardegarijp. Dhr. Bontekoe was een grote stoere man die het liefst op de fiets bij de patiënten langs ging. Er was wel een auto en als het slecht weer werd bracht de tuinman hem de auto achterna. De tuinman wist precies de route waar dhr. Bontekoe langsging om zijn patiënten te bezoeken en was op die manier gemakkelijk voor hem te vinden. Als het markt of kermis in Hardegarijp was werd de Amerikaanse auto van dhr. Bontekoe, een Oldsmobile met kenteken B-891, versierd en zo gingen ze dan naar de markt of kermis toe.

 

Oldsmobile met kenteken B-891 en grote Anna op de treeplank.

In de apotheek van Bennema State werden de poeders en de drankjes door dhr. en mevr. Bontekoe klaargemaakt. Mevr. Bontekoe maakte het meest de poeiers klaar en gebruikte daarbij altijd een klein weegschaaltje. De poeiers kwamen in een wit papiertje wat dicht gevouwen moest worden wat best nog wel veel werk was. Dhr. Bontekoe maakte de drankjes klaar in flesjes waar een kurk op kwam. Vervolgens deed mevrouw er een in plooien gevouwen papiertje op wat met een elastiekje op zijn plaats werd gehouden. De medicijnen en grondstoffen voor poeders en drankjes kwamen van Brocades en Stheeman uit Meppel en werd in een mand bezorgd. Ze leverden ook bijenwas en terpentijn waar wij dan weer wrijfwas van maakten.

  De indeling van Bennema State bestond zowel boven als beneden uit veel kamers, ook was er een apotheek en een wachtkamer. De kamers waren groot en hoog. De meubels zoals kasten tafels die er stonden waren van zwaar eiken. Wij moesten alles schoonmaken en wrijven met wrijfwas. Ook moesten de ramen gelapt worden en lagen er zware kleden die geklopt moesten worden maar daar hielp de tuinman aan mee. De tuinman heette Wieger Roorda en zijn woning stond heel dicht bij.

Huisje van de tuinman Wieger Roorda op het terrein van Bennema State

Stromend water was er toen nog niet en dus moest er met emmers water gesjouwd worden. De grote ramen werden met een ragel schoongemaakt en met water nagespoeld. We hadden ieder onze eigen taken want bij elkaar samen werken mocht niet dan werd er teveel gepraat en daar hadden ze ons niet voor. Ons domein was de keuken, daar moesten wij samen eten en drinken.

De woonkamer had twee ramen en de hal één raam en een voordeur. Vervolgens kwam de salon met drie ramen. De salon stond vol met grote zware eiken meubelen.

Mevrouw Bontekoe was nogal veeleisend. Vroeger had je in het voorjaar de grote schoonmaak en hadden we wel 2 maanden werk als alles een grote beurt moest hebben. De was moest allemaal met de handen gebeuren want wasmachines waren er toen nog niet. De witte was werd uitgekookt in een grote kookpot achter het huis die met hout en turf gestookt werd.

Het eten koken deden wij natuurlijk in de keuken, daar stond een groot zwart fornuis die met kolen en ook wel met hout gestookt werd. De plaat waar de pannen op stonden had ronde openingen waar zwarte gietijzeren ringen in konden en een deksel zodat je er ook kleinere pannen op kon zetten. Bij het stoken werd de onderkant van de pannen zwart en dat bracht ook weer het nodige werk met zich mee. We schuurden de bodems met zand en soda. Als het koken gedaan was en de plaat van de kachel was koud dan werd die gepoetst met kachelpoets en dat was elke dag hetzelfde ook `s zondags.

Inmiddels hadden we wel waterleiding gekregen dus was het gesjouw met wateremmers gelukkig gedaan. Met de komst van de waterleiding kwam er tevens een boiler met warm water. Koelkasten en vriezers waren er toen ook niet.

Ook kwam er een wc maar daar hadden wij niets aan, voor ons was er buitenshuis nog het ouderwetse toilet met een houten deksel en een ton waarnaast wat krantenpapier lag.

Er was een hele grote moestuin, waar allerlei soorten groenten werden gekweekt. Ook was er een tuin met allemaal snijbloemen en een grote appelhof.

De tuin bracht ook veel werk want alles werd in weckflessen ingemaakt zoals rode bessen, frambozen, zwarte bessen en kruisbessen. Zwarte bessen werden in potten gedaan en daar kwam dan jenever in. Frambozen werden in de brandewijn gedaan. Ook maakten wij jam. Verder werden er boontjes gepunt, appels geschild en bonen gemalen. De tuinman plukte natuurlijk alles en als het in de keuken kwam was het voor ons. We hadden naast het harde werken ook veel plezier onderling en maakten veel grapjes. Wij hadden een eenvoudige maaltijd maar o wee als we logees hadden, dan was er geen nee te koop. Dan moest er van alles op tafel komen, voorgerecht, soep enz. ook het zilveren bestek en het mooie eetservies kwam dan op tafel. Grote Anna en ik waren daar niet echt gelukkig mee want dat bracht dan weer extra werk met zich mee. 

Onze slaapkamer was eenvoudig, daarin bevonden zich een ijzeren ledikant en een ijzeren stander met daarin een waskom. Boven de keuken was een zolder waar je kon komen via een trap achter in het huis. De zolder werd de brandstofzolder genoemd. Daar moesten wij langs om op onze slaapkamer te komen. Op onze slaapkamer was één groot raam dat je omhoog kon schuiven voor de frisse lucht. Door dat raam hadden we uitzicht op de deur van de spreekkamer tevens apotheek, in de vensterbank daarvan stond een grote bel die de tuinman `s morgens gebruikte om ons te wekken.

Wij moesten ook een kostuum dragen dat bestond uit bonte jurken en schorten zoals vroeger de verpleegsters hadden, de stof had de kleur van gebleekte spijkerbroeken en had een dunnere kwaliteit maar had geen rafels en dergelijke zoals je dat heden ten dage wel ziet. Zondags hadden wij een zwarte jurk aan met een wit kraagje en een wit schortje. Op de foto aan het begin waar ik samen met grote Anna opsta hebben we zelf- gemaakte kleren aan. Dit ter ere van een feestelijke bijeenkomst voor genodigden. Het was een feest ter gelegenheid van de ondertrouw van de dochter van dhr. en mw. Bontekoe.

 

Als we vrij hadden mochten we onze gewone kleren dragen en als we een keer uit wilden gaan moesten we dat eerst even vragen. We gingen ook wel eens naar een dansavond, maar we moesten altijd weer om een bepaalde tijd binnen zijn.  

We zijn samen een keer op de fiets naar Amsterdam geweest, de afsluitdijk bestond toen nog niet zo lang. Dat was een hele gebeurtenis. Die dag was het stralend en warm weer. We hadden zomerjurken aan, dus blote armen. Ik ben toen heel erg verbrand en had grote blaren op mijn armen. In Amsterdam zijn we één nacht bij een tante van grote Anna gebleven. We hadden ons voorgesteld om ook weer per fiets terug naar Friesland te gaan maar door die verbrande arm van mij kon dat niet meer. Toen zijn we met de Lemmerboot teruggevaren en toen we van de boot gingen zijn we naar Hardegarijp gefietst. Dat was dus een hele tocht. Door die ene verbrande arm kon ik een tijdje mijn werk niet zo goed meer doen. 

Er schiet me nog iets te binnen over de verwarming. In de woonkamer stond een heel mooie haardkachel. In de slaapkamer was ook een kachel. Wij moesten ons verwarmen met de kookketel uit de keuken. Als het koud was in de winter dan hadden wij de deur van de oven open en zaten er dan vlak bij om ons op te warmen. Ik kan nog niet begrijpen hoe het toen was. In de apotheek stond ook een kachel en in de wachtkamer stond een heel apart model petroleumkachel die altijd erg kon stinken als hij aan was.

Tot zover zomaar wat herinneringen opgehaald uit die tijd. Het zijn teveel om allemaal op te schrijven maar ik hoop dat u zo toch een beeld krijgt hoe het er 70 jaar geleden aan toe ging in de huisartsenpraktijk van dhr. en mw. Bontekoe in Bennema State te Hardegarijp.


Mw. A. Djurrema – van der Veen