Herinneringen aan Bennema State
door Judy Kers-Prelle

Herfst 1946.
In Hardegarijp een klein plaatsje onder de rook van Leeuwarden, aan de Rijksstraatweg staat een groot “huis”, Bennema State heet het. Voor het huis ligt een grasveld waarin een perk voor bloemen. Door het grasveld meanderen wandelpaden. Ervoor, langs de straat, loopt een brede sloot. Voor de sloot staat een grote Beukenboom. Voor een klein meisje van amper 5 jaar is dit een “kasteel”. Het meisje staat, met haar moeder, oma, broer en zus, voor de deur van het huis.
De moeder heeft aan de, mooi glimmend gepoetste, koperen bel getrokken, maar de deur wordt niet open gedaan. Ook niet als er weer aan de bel wordt getrokken Net als de vrouwen besluiten om maar weer weg te gaan, komt er om het huis een vrouw aanlopen met een groot schort voor. Ze kijkt een beetje boos en het meisje kruipt achter haar oma weg.
“Jullie mogen niet aan de voordeur komen” zegt de vrouw. ”Wat komen jullie doen?” vraagt ze.
Oma doet een stap naar voren en zegt: ”Wij komen hier wonen. Wij hebben een brief gekregen met dit adres erin en er staat dat wij hier moeten gaan wonen. Dit is toch het huis van de familie Bontekoe?” Als de oma die naam uitspreekt beginnen de kinderen te lachen. Wat een rare naam.
Meteen hebben ze alle drie een draai om hun oren te pakken. “Wie zijn jullie dan?” vraagt de vrouw. “Wij zijn de familie Prelle-Hiljé. En wie bent U?” zegt de moeder.
“Ik ben Miene de dienstmeid van mevrouw Bontekoe. En ja nu weet ik het weer. Jullie zouden vandaag komen. Kom maar mee, dan zal ik jullie wijzen waar het huisje voor jullie is”. Ze loopt met het gezin om het huis heen. Daar, aan de achterkant, staat, aan het grote huis vast gebouwd een klein huisje. Miene doet de deur open en loopt naar binnen, een gangetje in. Aan weerszijden van het gangetje zit een deur. Ze doet de eerste deur open en zegt: “Dit is de woonkamer” en terwijl ze de andere deur open doet: ” En dit is de slaapkamer". Koken moeten jullie in de garage” Terwijl ze dit zegt loopt ze door de gang een grote garage binnen. Tegen een muur staat een tafel met daarop een gaspitje. “Jullie moeten op Butagas koken. En er is ook een petroleumstel. Er is geen toilet, maar buiten staat een klein huisje waar jullie je behoefte kunnen doen. Water haal je uit deze kraan”. Ze draait aan een klein kraantje naast de tafel met het gasstel open.
“Waar moeten we ons wassen?” vraagt oma. ”Hier natuurlijk, bij deze kraan” zegt Miene.
“Maar nu ga ik weg, want ik heb nog veel te doen. Jullie redden je, denk ik wel. Als je wat te vragen hebt klop je maar aan de achterdeur bij de keuken, daar ben ik”. Ze wijst naar een deur aan de achterkant van het huis.
O ja, ze hebben zich gered, die drie jaren, dat het gezin in het kleine huisje achter Bennema State, woonden. Ze hebben de muren van de woonkamer, waar de tengel in lappen langs hing, eerst met kranten dichtgeplakt en later heeft de moeder er behang op geplakt. Ze hebben op de planken vloer waar de planken niet helemaal aaneen sloten en waarop helemaal geen vloerbedekking of zeil lag, een groot kleed gelegd. Ze hebben de grote potkachel in de “woonkamer” opgepoetst. Naast die kachel zat later, eens in de maand, op de enige leunstoel die de kamer rijk was, de petroleumboer te genieten van een kopje koffie die de oma voor hem zette. Hij bleef altijd heel lang praten en soms kreeg hij een bordje Nasi Goreng. Hij vond dat lekker en zei dat hij altijd uitkeek naar zijn maandelijkse bezoekjes, want het was zo gezellig bij die Indische familie. Later genoot Miene ook van het Indische eten waarvan ze, toen oma voor het eerst een maaltijd klaarmaakte, zei dat het stonk.
Ja, oma kookte in de garage waar ze tegen een muur twee gieremmers had neergezet. Eén voor de kleine boodschap en één voor de grote boodschap. De kinderen mochten niet in het “huisje”. Elke avond gooide de moeder de beide gieremmers leeg in de ton die, onder een deksel in het huisje, stond. En één keer in de week zette Pieter, de knecht en ook tuinman, de ton op een grote kruiwagen, en leegde die ton in een grote beerput die achter het huis stond.
Slapen deed het gezin in de huiskamer waar, tegen de muur, een opklapbed stond. En in de slaapkamer waar twee twijfelaars stonden. Broer sliep in de huiskamer, de meisjes in de ene twijfelaar en de moeder met de oma in de andere twijfelaar.
Het was niet echt aangenaam in dat kleine huisje. Boven de huiskamer ontdekten ze, de eerste dag toen ze kwamen, lag het nachthok van de kippen, die een ren hadden achter de garage. Ja, heus, boven hun hoofd en de eerste de beste avond viel er, door de spleten van het plafond, af en toe een kippenstrontje op de eettafel. Ook het plafond werd dus dichtgeplakt met kranten.
Al die tijd dat de familie in het huisje woonde bleven de kippen boven hun hoofd kakelen.
De potkachel in de huiskamer was de enige warmtebron in het huis. In de strenge winter van 1947 gaf die kachel nauwelijks warmte. De oma liep de hele dag met een warme sjaal om haar hoofd, die ze af en toe tegen de kachel warmde. De kinderen sliepen met trainingspakken en dikke truien en met warme kruiken. Ze werden elke zaterdag in een grote teil, gevuld met warm water, van top tot teen gewassen. Alle drie in hetzelfde water. En om de beurt als eerste middelste of laatste. Want om het water warm te krijgen kookte de moeder elke keer wel vier ketels water op het kleine gaspitje.
Maar er werd niet geklaagd, want de kinderen leerden er schaatsen op het ijs van de sloot die naast het pad naast de garage liep. De hele jeugd van Hardegarijp kwam, toen voor het eerst, op die sloot schaatsen. Of ze speelden in het bos achter de State, waar ook een kleine vijver lag met kikkervisjes, schrijvertjes, geel gerande watertorren, libellen, waterlelies, lisdodden, waar je dikke sigaren van kon maken. Er was een groot grasveld met in het midden een pruimenboom. En natuurlijk, tot grote ergernis van Pieter “jatte” menig kind er wel eens een pruimpje.
De Hardegarijper jeugd klom in de bomen, zocht in de herfst beukennootjes die in de oven van de dorpsbakker werden gepoft, jammie.
De drie kinderen genoten van het leven in Hardegarijp, waar ze al gauw dikke vrienden waren met de boerenjeugd en ook snel de Friese taal leerden.
En meneer en mevrouw Bontekoe? Vonden die dat allemaal goed?
Ze zagen de eigenaren van Bennema State zelden. De “dokter” zagen ze wel eens fietsen en mevrouw kwam af en toe bij de deur van het huisje, nee nooit kwam ze binnen, een praatje maken, of iets lekkers brengen. Ze bracht zelfs een cadeautje als de kinderen jarig waren en ook de taak van Sinterklaas nam ze over. Maar altijd aan de voordeur. De kinderen noemden haar Mevrouw Tjunkè (Indonesisch voor kruidnagel) omdat ze zo lekker naar kruidnagel rook. Ze vonden mevrouw ook heel mooi. Ze had altijd mooie kleren aan en een broche op haar jurk, een dure ketting om en haar haren waren heel mooi grijs en netjes gekapt. Ze hadden van hun leven nog nooit zo'n dure dame gezien.
Het kleine meisje kwam wel in het grote huis. Eén keer in de maand kregen de “dokter” en zijn vrouw bezoek en dan moest het kleine meisje komen dansen. Dan trok de moeder het kind een sarong (Indonesische rok) en een wit bloesje (kebaja) aan. Ze deed het kind een bloem in het haar en op haar handjes zette ze een schoteltje met een kaarsje. Op haar blote voeten ging het kind dan naar het grote huis Daar zette de dokter een plaat op de draaitafel, hij stak met een grote lucifer de kaarsjes aan en op de klanken van Het Zwanenmeer van Tsjaikovski (elke maand hetzelfde stuk) danste het kind voor meneer en mevrouw en hun gasten of haar leven er vanaf hing. Ze kreeg altijd een uitbundig applaus, vooral van de “dokter” en in de keuken kreeg ze van Miene een glaasje limonade en een zelf gebakken koekje. Ze kreeg ook elke keer wat koekjes mee voor haar broer en zus, die zelf overigens nooit in het grote huis kwamen.
Het was heel mooi in het grote huis. Mooie stoelen en tafels, kasten en kastjes. Een heel dik tapijt op de vloer. Dat voelde heel lekker zacht aan haar blote voeten. De eerste keer dat ze in het grote huis kwam durfde ze bijna niet te lopen. Ze keek haar ogen uit. Wat een verschil met de meubels uit het kleine huisje, waar in de huiskamer een eettafel met vijf stoelen stonden en die enkele leunstoel waar de petroleumboer altijd zat als hij kwam. Die stoel rook daarna ook altijd naar petroleum.
Nee, in het grote huis rook het niet naar petroleum, maar naar boenwas en koperpoets en naar de kruidnagel van mevrouw.
De familie in het kleine huisje kreeg ook af en toe bezoek van andere Indische mensen die een kamer hadden in het dorp. Dan werden er spelletjes gespeeld en roedjak gegeten die oma had gemaakt van de appeltjes uit de boomgaard die naast het huis lag. Die appeltjes kregen ze van Pieter. Als hij ook wat van de roedjak mocht proeven.
Met Miene, die de eerste dag zo boos deed, kregen de kinderen een hele goede band. Ze was een hele lieve vrouw die in een huisje naast de State woonde en waar de kinderen vaak een snoepje kwamen halen. Ze gaf de kinderen kleiknikkers en soms één van glas.
Ja, het was behelpen in het huisje en waarom kregen ze niet kamers in het grote huis met de vele kamers waar alleen mevrouw en meneer woonden. Dat is altijd een vraag gebleven.
Later hoorden ze dat het huisje vroeger, toen de “dokter “nog huisarts was, zijn praktijkruimte was. Daarom stond er boven de deuren de woorden Wachtkamer en Spreekkamer.
Het gezin is in de herfst van 1948 naar Amsterdam vertrokken waar ze in een bovenverdieping gingen wonen met een toilet een echt keuken en een badkamer. Heel wat anders als in Hardegegarijp. Maar de tijd in dat dorp was geweldig geweest.
De kinderen gingen er naar school. De hoofdonderwijzer was de heer Zijlstra. De plaatselijke winkeliers sloten de leden van de familie in hun harten. Oene en Atsje, de eigenaren van de kruidenierswinkel gaven wel eens, als de moeder niet genoeg geld had, boter, jam en kaas, gratis weg. En de vader van Douwe Bakker, toevallig de bakker van het dorp gaf zijn zoon, die bevriend was met de broer van het kleine kind, wel eens een brood mee. Of voor ieder een krentenbol.
En de klompenmaker die zijn bedrijfje tegenover Bennema State had, gaf de beide meisjes zelfgemaakte miniklompjes mee.
Die klompjes heeft het kleine meisje, inmiddels een vrouw van 70 jaar oud, nog steeds. Ze hangen in haar huis in Apeldoorn aan de muur.


Hier enkele foto`s uit 1947.
Mijn zus Karla en ik voor de winkel van Oene en Atsje. Mijn broer Wim voor de tuin van hoofdonderwijzer Zijlstra.
Mijn moeder en ik (Judy) op het schoolplein. Verjaardag Koningin Wilhelmina.Groot feest bij de school.
31 aug.1947. De kleuterklas. Helaas ben ik de naam van de (heel lieve) juf vergeten.
Op de voorste rij zit ik. Het meisje met de beer.
Links achter, tweede rij van boven, staat Gieneke Poppinga (met bril en grote strikken in het haar).
Judy Kers-Prelle
